Kropswolde

Yesse had een bijzondere band met Kropswolde.

Al vroeg na de stichting van het klooster wordt in 1249 geschreven over de aanwezigheid van lekenbroeders ter plaatse. Zij zullen hier een uithof (kloosterboerderij) stichten. De afstand van Kropswolde naar Yesse was zo groot, dat de broeders niet dagelijks naar Yesse konden gaan en daarom ook een eigen kapel bouwden, gewijd aan Maria.

Deze werkbroeders groeven het veen af en droogden dit tot turf. Daarna werd dit op platte schuiten vervoerd naar het kloosterterrein, onder andere om te dienen als brandstof voor het bakken van stenen, waarvan een nieuw klooster gebouwd werd als opvolger voor het houten.

Rond 1420 wordt in oorkonden vastgelegd dat er een conflict is tussen de pastoor van de parochiekerk van Kropswolde en de lekenbroeders van klooster Yesse. Het probleem is, dat de parochianen liever naar de Mariakapel van de lekenbroeders gaan dan naar hun 'eigen' kerk.

 

Hierdoor mist de pastoor inkomsten, omdat ook de giften van de kerkgangers natuurlijk naar 'de concurrente kapel' gaan. In deze kapel van de lekenbroeders spelen zich namelijk regelmatig wonderen rondom het Mariabeeld af. 

De pastoor laat het er niet bij zitten en dient zijn beklag in. Hij ziet zich in zijn bestaan aangetast. De daarop volgende uitspraak is, dat Yesse ieder half jaar 4 Groninger Guldens moet afdragen aan de pastoor. Een Groninger Gulden in deze jaren was goed voor 8 schapen! 

In februari 2016 heeft de Stichting Bezoekerscentrum Klooster Yesse deze schuld opnieuw ingelost door het afdragen van 8 'harde euro's'.